De commissieBelangrijke dataNieuwsRelatiesContact
Voorlichting
Examens
Scholen filosofie
Bevoegdheid
VWO Filosofie
HAVO Filosofie

Eindtermen Mens-Machine

HAVO-examenonderwerp 2004-2006

Aanbevolen literatuur: Mens-Machine, Dr. M. Lievers, Amsterdam, 2003 (uitgeverij Boom / ISBN 9053528806). Het boek is verkrijgbaar via de uitgever of plaatselijke middenstand en bevat behalve de basistekst ook de vertaalde primaire teksten, korte introducties van de auteurs, vragen voor de leerlingen en de eindtermen. Tevens is er een docentenhandleiding beschikbaar. Deze is elders te vinden op deze website onder de knop Havo filosofie: docentenhandleiding Mens-Machine.

0. Algemene eindtermen

  1. De kandidaat kan de volgende begrippen uitleggen en onderscheiden:
    • intentionaliteit
    • ontologie
    • epistemologie
    • semantiek
    • dualisme
    • monisme
    • materialisme
    • behaviorisme
    • functionalisme

1. Twee tegengestelde gedachten

  1. De kandidaat kan uitleggen waarom het vraagstuk mens-machine-probleem een onderdeel is van het lichaam-geest-probleem uit de filosofische antropologie.

    Wittgenstein
    Tekst(en);
    Philosophische Untersuchungen, §283, 284 tot en met de zin: ‘is een andere dan die ten opzichte van wat dood is’; §286 en 287. 

  2. De kandidaat kan aangeven wat er volgens Wittgenstein nodig is om van 'iets' vast te kunnen stellen dat het gevoel heeft.
  3. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat het verschil is tussen de pijn van anderen en pijn van jezelf en wanneer we volgens Wittgenstein van machines niet zouden kunnen zeggen dat ze pijn hebben.

    Wat maakt mensen tot mensen?
  4. De kandidaat kan uitleggen welke twee opvattingen van de mens in het mens-machine debat tegenover elkaar staan.

2. Begrippen als denkgereedschap

  1. De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen mens en het begrip 'mens' en waarom dit verschil door filosofen wordt gemaakt.
  2. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat het verschil is tussen de betekenisinhoud (in­ten­sie) en de betekenisomvang (extensie) van een woord.
  3. De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen semantiek, epistemologie en ontologie en waarom dit onderscheid van belang is.

3. De eerste gedachte: de mens is een uniek verschijnsel

  1. De kandidaat kan de positie van de ontologisch dualist, epistemologische dualist en de conceptueel dualist herkennen.
  2. De kandidaat kan de positie van de ontologisch dualist uitleggen en argumenten noemen waarom lichaam en geest niet hetzelfde kunnen zijn.
  3. De kandidaat kan de positie van de epistemologische dualist uitleggen en aange­ven wat het verschil is met de ontologische dualist en de conceptuele dualist.
  4. De kandidaat kan de positie van de conceptueel dualist uitleggen en aangeven wat het verschil is met de ontologische en epistemologische dualist.        

    Descartes
    Tekst(en):
    Passions of the soul: §26,27,30,34,35,36,37,38;
    Over de methode: §55,56,57,58,59.

  5. De kandidaat kan uitleggen waarom Descartes een dualist is en tot welk type dualisme hij behoort.
  6. De kandidaat kan uitleggen wat volgens Descartes de kenmerken zijn van het li­chaam en van de geest en kan voorbeelden noemen die de opvatting van Des­cartes steunen.
  7. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen waarin de aandoeningen van de ziel verschillen van gedachten.
  8. De kandidaat kan uitleggen hoe volgens Descartes prikkels (de sensatie van iets) inwerken op het lichaam én de geest.
  9. De kandidaat kan uitleggen waarom volgens Descartes een machine nooit kan handelen als een mens.

4. De tweede gedachte: De mens is een chemisch proces als een ander

  1. De kandidaat kan de positie van de monist (materialist) herkennen en uitleggen
  2. De kandidaat kan de positie van de monist met betrekking tot het lichaam-geest probleem uitleggen.
  3. De kandidaat kan enkele argumenten ter ondersteuning van deze positie geven.
  4. De kandidaat kan argumenten tegen het materialisme geven.

    Büchner
    Tekst(en):
    Het denken, p. 139-142

  5. De kandidaat kan de positie van Büchner in het lichaam-geest debat weergeven en aangeven waaruit blijkt dat Büchner een materialist is.
  6. De kandidaat kan uitleggen wat volgens Büchner 'denken' is.
  7. De kandidaat kan een standpunt verwoorden met betrekking tot de positie van Büchner.

5. Behaviorisme

  1. De kandidaat kan uitleggen wat behaviorisme is en welke consequenties het be­haviorisme heeft voor het probleem mens-machine.

    Ryle
    Tekst(en):
    Descartes’ myth, §1 & 2. 

  2. De kandidaat kan aangeven waarin de door Ryle zo genoemde ‘officiële theorie’ bestaat en welke rol de begrippen ‘lichaam’ en ‘geest’, ‘publiek’ en ‘privé’, ‘in­nerlijk’ en ‘uiterlijk’ daarin spelen.
  3. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden bezwaren tegen deze ‘officiële theorie’ formuleren.
  4. De kandidaat kan uitleggen wat Ryle verstaat onder een ‘categoriefout’, kan daar voorbeelden van geven en aan de hand van die voorbeelden uitleggen wat Ryle bedoelt met ‘logisch type’.
  5. De kandidaat kan uitleggen in welke opzichten Ryle een behaviorist is.

6. De Turing test

  1. De kandidaat kan uitleggen waaruit de behavioristische benadering van Turing be­staat.

    Turing
    Tekst(en):
    Computing Machinery and Intelligence
    p. 53 t/m p. 58 punt 2;
    p. 59 t/m 64 punt 4 t/m 6;
    p. 65/66 punt 8.

  2. De kandidaat kan beschrijven waarom Turing de vraag ‘Kunnen machines den­ken?’ zoals deze normaal wordt gesteld, onbevredigend vindt.
  3. De kandidaat kan een beschrijving geven van de ‘Turing-test’.
  4. De kandidaat kan uitleggen waarom Turing denkt dat de test een antwoord kan ge­ven op de vraag ‘Kunnen machines denken?’ en kan een serieuze tegenwer­ping te­gen de test als criterium noemen.
  5. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden uitleggen waarom het moeilijk is aan te geven wat in de test precies onder ‘machine’ wordt verstaan.
  6. De kandidaat kan weergeven waaruit het bezwaar vanuit het bewustzijn bestaat en waarom het alternatief volgens Turing solipsisme is.
  7. De kandidaat kan uitleggen waarom bezwaren vanuit specifieke onvermo­gens tegen de mogelijkheid dat machines kunnen denken, volgens Turing niet geldig zijn.
  8. De kandidaat kan weergeven waaruit het bezwaar van Lady Lovelace bestaat en waarom Turing dit bezwaar niet geldig acht.
  9. De kandidaat kan een beargumenteerd oordeel geven over de overtuigingskracht van de Tu­ring-test en voorbeelden geven van de vragen die hij aan de ma­chi­ne zou voorleggen.

    Copeland
    Tekst(en):
    The Turing Test, §3.2, §3.4 1 t/m3

  10. De kandidaat kan weergeven wat het chimpansee-bezwaar inhoudt en waarom het niet geldig is.
  11. De kandidaat kan argumenten geven waarom het bezit van zintuigen geen abso­lute voorwaarde is voor het passeren van de Turing-test en hiervan voorbeelden geven.
  12. De kandidaat kan aangeven waarom het simulatie-argument niet doorslaggevend is.
  13. De kandidaat kan het antropocentrisch criterium beschrijven.
  14. De kandidaat kan uitleggen waarom ook de Turing-test antropocentrisch is.

7. Turing machines als model van de geest

  1. De kandidaat kan uitleggen waaruit het machine-model van de menselijke geest be­staat en welke rol input en output daarin spelen.

8. Is de menselijke geest een computer

  1. Searle
    Tekst(en):
    Is the Brain’s Mind a Computer Program?
    p. 20-21 tot ‘Axiom 3’; Conclusion

    De kandidaat kan beschrijven hoe de vraag ‘Kunnen machines denken?’ door Searle wordt opgevat en welke rol het onderscheid tussen ‘hardware’ en ‘software’ daar­in speelt.
  2. De kandidaat kan het ‘Chinese-kamer’-argument weergeven.
  3. De kandidaat kan een oordeel geven over de vraag of het ‘Chinese-ka­mer’-expe­ri­ment uitvoerbaar is.

9. Qualia

  1. De kandidaat kan uitleggen wat qualia zijn, daar voorbeelden van geven en aangeven waarom ze relevant zijn voor het lichaam-geest probleem.

    Nagel
    Tekst(en):
    What is it like to be a Bat, p. 165 t/m 167 1ste al.

  2. De kandidaat kan aan de hand van het gedachte-experiment van Nagel over hoe het voelt om een vleermuis te zijn, uitleggen waarom volgens Nagel  qualia moeten bestaan.
  3. De kandidaat kan uitleggen wat het subjectieve karakter van de ervaring is en dat het afleiden van de ervaring van de vleermuis uit mijn eigen ervaring incompleet is.     

    Dennet
    Tekst(en):
    Quining Qualia:
    p. 526-528 ‘Since quanderies…;
    p. 533 ‘Intuition pump ‡9’.

  4. De kandidaat kan aan de hand van het gedachte-experiment over de koffieproevers Chase en San­born uitleggen dat volgens Dennett qualia niet essentieel zijn om het begrip be­wustzijn te omschrijven.
  5. De kandidaat kan beschrijven welke verklaringen er volgens Dennett zijn te geven voor het de veranderde waardering van de smaak van koffie door Chase.
  6. De kandidaat kan beschrijven welke verklaringen er volgens Dennett zijn te geven voor de veranderde smaak van koffie door Sanborn.
  7. De kandidaat kan aangeven welke van de verklaringen volgens Dennett het meest aannemelijk zijn en waarom.
  8. De kandidaat kan uitleggen dat de smaak van bier pas na verloop van tijd wordt gewaardeerd en aangeven welke conclusie hieruit getrokken kan worden ten aanzien van het bestaan van qualia.

10. Bewustzijn: een probleem?

  1. De kandidaat kan beschrijven welke drie vormen van bewustzijn kunnen worden onder­scheiden en uitleggen waarom het fenomenaal bewustzijn het grootste probleem vormt.
  2. De kandidaat kan uitleggen wat Searle verstaat onder ‘echt denken’ en waarom dus machines volgens Searle niet kunnen denken.

11. Case-study: verliefdheid

  1. De kandidaat kan uitleggen welke consequenties de posities van dualisme, ma­te­rialisme, behaviorisme, hebben voor een ver­schijn­sel als verliefdheid.
  2. De kandidaat kan een beargumenteerd standpunt met betrekking tot deze kwestie innemen en dit standpunt met behulp van andere voorbeelden toelichten.

12. Machines en mensen

  1. De kandidaat kan uitleggen welke geheel andere wending Heidegger geeft aan het probleem mens-machine.
  2. De kandidaat kan uitleggen welke visie Merleau-Ponty heeft op de verhouding geest-lichaam en welke consequenties dit heeft voor het probleem mens-machine.

terug



© 2003-2004 Begeleidingscommissie Filosofie in het Voortgezet Onderwijs