Aanbevolen literatuur: 'Denkbewegingen. Inleiding in de filosofie van emoties', door Dr. M. Willemsen (uitgeverij Ambo/Anthos, Amsterdam, 2010; ISBN 9789026321962). Het boek wordt gepresenteerd op de Studiedag over Filosofie van de emoties te Leiden op 27 januari 2010 (Zie http://www.iclon.nl/ en dan doorklikken bij docenten & management VO / scholing zittende docenten / Good Practice Days / Studiedag filosofie) en is daarna verkrijgbaar via de uitgever of plaatselijke middenstand. Het boek bevat behalve de basistekst ook vertaalde primaire teksten en de eindtermen.
Algemeen
1.De kandidaten kunnen een analyse maken van het begrip emotie. Zij kunnen de etymologie van het begrip aangeven, verschillende kenmerken noemen, definities opstellen en vooronderstellingen aangeven waarop deze definities berusten.
2.De kandidaten kunnen aan de hand van casussen de contextafhankelijkheid, de schaalgevoeligheid en de strategische werking van emoties onderzoeken. Ook kunnen zij het belang van het filosoferen over emoties aangeven, bijvoorbeeld door het noemen van concrete vraagstukken in de hedendaagse samenleving waarbij emoties een rol spelen.
3.De kandidaten kunnen de besproken opvattingen over emoties herkennen, uitleggen en toepassen aan de hand van voorbeelden en casussen.
4.De kandidaten kunnen a) de besproken opvattingen en onderscheidingen ten aanzien van emoties vergelijken; b) een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van deze opvattingen; c) uitleggen welke vooronderstellingen over de menselijke natuur en de menselijke samenleving bij deze opvattingen een rol spelen; d) de betekenis van deze opvattingen aangeven voor het filosofisch debat over emoties; e) een beargumenteerde waardering geven van de emoties die aan de orde zijn gekomen.
5.De kandidaten kunnen uitleggen wat het verband is tussen onze denkbeelden over het wezen van de mens en onze waardering van emoties.
6.De kandidaten kunnen uitleggen of er een verband bestaat tussen het debat tussen aanhangers van de cognitivistische opvatting en aanhangers van de fysiologische opvatting over emotie enerzijds, en het lichaam-geest dualisme anderzijds.
7.De kandidaten kunnen argumenten voor en tegen de opvatting geven dat emoties noodzakelijk zijn voor het leiden van een menswaardig bestaan.
ITwee theorieën
8.De kandidaten kunnen met betrekking tot emoties de volgende begrippenparen uitleggen en toepassen in contexten van retorica, literatuur en film: emotie en gevoel, emotie en stemming, goed en kwaad, aangeboren en aangeleerd, passief en actief,verbaal en non-verbaal, acuut en verborgen, lichamelijk en geestelijk, nuttig en onnuttig.
9.De kandidaten kunnen uitleggen wat onder ‘emocultuur’ wordt verstaan en aan de hand van voorbeelden een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag of we leven in een emocultuur en over de vraag in hoeverre dat wenselijk zou zijn.
10.De kandidaten kunnen cognitivistische benaderingen van emoties uitleggen, zoals die van Nussbaum en Solomon.
11.De kandidaten kunnen uitleggen dat emoties volgens de benadering van Nussbaum een cognitieve en een evaluatieve lading hebben en kunnen daarbij vier factoren onderscheiden die een rol spelen.
12.De kandidaten kunnen fysiologische opvattingen over emoties uitleggen en toepassen, zoals die van James en Ekman.
13.De kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de opvattingen van James en Ekman enerzijds en die van Nussbaum en Solomon anderzijds.
14.De kandidaten kunnen een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag in hoeverre leugendetectors en emotiemeters geschikte middelen zijn bij het onderzoek naar emoties.
15.De kandidaten kunnen een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag in hoeverre cognitivistische en fysiologische benaderingen uitgaan van hetzelfde soort emotiebegrip.
16.De kandidaten kunnen cognitivistische en fysiologische benaderingen van emoties analyseren, vergelijken en evalueren en daarbij vooronderstellingen en implicaties noemen en verhelderen.
Primaire teksten
Nussbaum
17.De kandidaten kunnen weergeven hoe Nussbaum haar neostoďcijnse standpunt over emoties als waardeoordelen onderscheidt van de stoďcijnse opvatting over emoties.
18.De kandidaten kunnen de argumentatie van Nussbaum reconstrueren dat emoties door mensen verbonden worden met zaken die van belang zijn voor hun welzijn, waarbij emoties het gevoel van kwetsbaarheid, passiviteit en onvolmaakte beheersing van deze zaken registreren.
19.De kandidaten kunnen uitleggen hoe Nussbaum emoties in verband brengt met waarheid en redelijkheid. Daarbij kunnen zij een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag of emoties als verdriet waar of onwaar kunnen zijn.
20.De kandidaten kunnen de wijze waarop Nussbaum de emotie ‘verdriet’ onderzoekt weergeven, analyseren en evalueren.
James
21.De kandidaten kunnen uitleggen dat de kern van (grove) emoties ligt in de directe ervaring van lichamelijke veranderingen die volgen op bepaalde gebeurtenissen.
22.De kandidaten kunnen de argumentatie reconstrueren dat er van een emotie niets overblijft wanneer door een proces van abstractie wordt afgezien van de lichamelijke symptomen van deze emotie.
IIEmoties tussen natuur en cultuur
23.De kandidaten kunnen de opvattingen van Descartes en Spinoza over basisemoties weergeven en uitleggen.
24.De kandidaten kunnen beargumenteren in hoeverre de benaderingen van emoties door Descartes en Spinoza terug te voeren zijn op cognitivistische dan wel fysiologische uitgangspunten.
25.De kandidaten kunnen aangeven in hoeverre het onderzoek van Ekman filosofisch relevant is ten aanzien van het vraagstuk van de universaliteit van emoties. Zij kunnen daarbij kritische kanttekeningen maken bij de onderzoeksmethode van Ekman en tevens een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van de conclusies die Ekman uit dit onderzoek trekt.
26.De kandidaten kunnen aangeven wat het nature–nurture-debat op het gebied van emoties inhoudt, en verbanden leggen met antropologische en ethische vraagstukken.
27.De kandidaten kunnen in het kader van het nature –nurture-debat de constructivistische en reductionistische opvattingen over het ontstaan van emoties in een casus herkennen en daarover een beargumenteerd standpunt innemen.
28.De kandidaten kunnen in het kader van het nature –nurture-debat de verschillen en overeenkomsten uitleggen tussen de constructivistische en reductionistische opvattingen over het ontstaan van emoties.
29.De kandidaten kunnen aan de hand van emoties als ‘amae’ en ‘fago’ uitleggen in hoeverre emoties cultuurgebonden zijn.
30.De kandidaten kunnen de hypothese van Sapir en Whorf over de relatie tussen taal en emoties uitleggen. Ook kunnen zij kritiek leveren op deze hypothese.
31.De kandidaten kunnen de betekenis van neurologisch onderzoek voor het nature – nurture-debat aangeven en omschrijven in hoeverre dit onderzoek argumenten aandraagt voor de universaliteit van emoties.
32.De kandidaten kunnen uitleggen waarom aanhangers van fysiologische en cognitivistische emotietheorieën neigen tot reductionisme respectievelijk constructivisme.
Primaire teksten
Descartes 33.De kandidaten kunnen de definities van de zes primitieve passies
die Descartes onderscheidt weergeven en uitleggen hoe uit deze
zes passies alle andere passies kunnen worden afgeleid.
34.De kandidaten kunnen uitleggen wat Descartes verstaat onder verwondering als passie. Zij kunnen daarbij beredeneren hoe men moet omgaan met een tekort of overmaat aan verwondering. Ook kunnen zij uitleggen wat het verschil is tussen verwondering en aandacht.
Spinoza 35. De kandidaten kunnen uitleggen wat volgens Spinoza de oorsprong
en de natuur is van de hartstochten.
36. De kandidaten kunnen de definitie van hartstochten van Spinoza
weergeven en uitleggen. Zij kunnen daarbij aangeven welke drie
primaire hartstochten Spinoza onderscheidt en beargumenteren hoe
andere emoties, zoals verwondering, liefde en haat, tot deze
primaire emoties zijn te herleiden.
37. De kandidaten kunnen de argumentatie van Spinoza reconstrueren
hoe het mogelijk is om onder leidingvan de rede bepaalde
hartstochten, zoals haat en woede te corrigeren of te voorkomen.
IIIRetorica en emoties
38. De kandidaten kunnen uitleggen op welke wijze en onder welke
voorwaarden emoties bewust kunnen worden gebruikt bij het
overtuigen van een publiek. Zij kunnen aan de hand van
voorbeelden beschrijven wat de retorische werking van emoties
is in opening, middengedeelte en slot van een toespraak.
39. De kandidaten kunnen toespraken analyseren en beoordelen op
overtuigingskracht gebruikmakend van elementaire zaken uit de
klassieke retorica, zoals:
-de genres van redevoeringen: juridische (genus judiciale);
politieke (genus deliberativum); gelegenheidstoespraken
(genus demonstrativum)
-de doelen van een redevoering: informeren, behagen en
ontroeren (docere, placere en movere)
-de middelen waarmee een redenaar het publiek kan
overtuigen: redeneren, karakter en emoties (of met
Aristoteles logos, ethos en pathos)
-de fasen die een redenaar doorloopt: vinding (inventio);