De commissieBelangrijke dataNieuwsRelatiesContact
Voorlichting
Examens
Scholen filosofie
Bevoegdheid
VWO Filosofie
HAVO Filosofie

Eindtermen Emotie 
  

HAVO-examenonderwerp 2011 t/m 2013

Aanbevolen literatuur: 'Denkbewegingen. Inleiding in de filosofie van emoties', door Dr. M. Willemsen (uitgeverij Ambo/Anthos, Amsterdam, 2010; ISBN 9789026321962). Het boek wordt gepresenteerd op de Studiedag over Filosofie van de emoties te Leiden op 27 januari 2010 (Zie http://www.iclon.nl/  en dan doorklikken bij docenten & management VO / scholing zittende docenten / Good Practice Days / Studiedag filosofie) en is daarna verkrijgbaar via de uitgever of plaatselijke middenstand. Het boek bevat behalve de basistekst ook vertaalde primaire teksten en de eindtermen.

 

 

      Algemeen

       

1.    De kandidaten kunnen een analyse maken van het begrip emotie. Zij kunnen de etymologie van het begrip aangeven, verschillende kenmerken noemen, definities opstellen en vooronderstellingen aangeven waarop deze definities berusten.

 

2.    De kandidaten kunnen aan de hand van casussen de contextafhankelijkheid, de schaalgevoeligheid en de strategische werking van emoties onderzoeken. Ook kunnen zij het belang van het filosoferen over emoties aangeven, bijvoorbeeld door het noemen van concrete vraagstukken in de hedendaagse samenleving waarbij emoties een rol spelen.

 

3.    De kandidaten kunnen de besproken opvattingen over emoties herkennen, uitleggen en toepassen aan de hand van voorbeelden en casussen.

 

4.    De kandidaten kunnen a) de besproken opvattingen en onderscheidingen ten aanzien van emoties vergelijken; b) een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van deze opvattingen;  c) uitleggen welke vooronderstellingen over de menselijke natuur en de menselijke samenleving bij deze opvattingen een rol spelen; d) de betekenis van deze opvattingen aangeven voor het filosofisch debat over emoties; e) een beargumenteerde waardering geven van de emoties die aan de orde zijn gekomen.

 

5.    De kandidaten kunnen uitleggen wat het verband is tussen onze denkbeelden over het wezen van de mens en onze waardering van emoties.

 

6.    De kandidaten kunnen uitleggen of er een verband bestaat tussen het debat tussen aanhangers van de cognitivistische opvatting en aanhangers van de fysiologische opvatting over emotie enerzijds, en het lichaam-geest dualisme anderzijds.

 

7.    De kandidaten kunnen argumenten voor en tegen de opvatting geven dat emoties noodzakelijk zijn voor het leiden van een menswaardig bestaan.

 

 

       I  Twee theorieën

 

8.    De kandidaten kunnen met betrekking tot emoties de volgende begrippenparen uitleggen en toepassen in contexten van retorica, literatuur en film: emotie en gevoel, emotie en stemming, goed en kwaad, aangeboren en aangeleerd, passief en actief,  verbaal en non-verbaal, acuut en verborgen, lichamelijk en geestelijk, nuttig en onnuttig.

 

9.    De kandidaten kunnen uitleggen wat onder ‘emocultuur’ wordt verstaan en aan de hand van voorbeelden een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag of we leven in een emocultuur en over de vraag in hoeverre dat wenselijk zou zijn.

 

10. De kandidaten kunnen cognitivistische benaderingen van emoties uitleggen, zoals die van Nussbaum en Solomon.

 

11. De kandidaten kunnen uitleggen dat emoties volgens de benadering van Nussbaum een cognitieve en een evaluatieve lading hebben en kunnen daarbij vier factoren onderscheiden die een rol spelen.

 

12. De kandidaten kunnen fysiologische opvattingen over emoties uitleggen en toepassen, zoals die van James en Ekman.

 

13. De kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de opvattingen van James en Ekman enerzijds en die van Nussbaum en Solomon anderzijds.

 

14. De kandidaten kunnen een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag in hoeverre leugendetectors en emotiemeters geschikte middelen zijn bij het onderzoek naar emoties.

 

15. De kandidaten kunnen een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag in hoeverre cognitivistische en fysiologische benaderingen uitgaan van hetzelfde soort emotiebegrip.

 

16. De kandidaten kunnen cognitivistische en fysiologische benaderingen van emoties analyseren, vergelijken en evalueren en daarbij vooronderstellingen en implicaties noemen en verhelderen.

 

Primaire teksten

 

Nussbaum

17. De kandidaten kunnen weergeven hoe Nussbaum haar neostoďcijnse standpunt over emoties als waardeoordelen onderscheidt van de stoďcijnse opvatting over emoties.

18. De kandidaten kunnen de argumentatie van Nussbaum reconstrueren dat emoties door mensen verbonden worden met zaken die van belang zijn voor hun welzijn, waarbij emoties het gevoel van kwetsbaarheid, passiviteit en onvolmaakte beheersing van deze zaken registreren.

19. De kandidaten kunnen uitleggen hoe Nussbaum emoties in verband brengt met waarheid en redelijkheid. Daarbij kunnen zij een beargumenteerd standpunt innemen over de vraag of emoties als verdriet waar of onwaar kunnen zijn.

20. De kandidaten kunnen de wijze waarop Nussbaum de emotie ‘verdriet’ onderzoekt weergeven, analyseren en evalueren.

 

James

21. De kandidaten kunnen uitleggen dat de kern van (grove) emoties ligt in de directe ervaring van lichamelijke veranderingen die volgen op bepaalde gebeurtenissen.

 

22. De kandidaten kunnen de argumentatie reconstrueren dat er van een emotie niets overblijft wanneer door een proces van abstractie wordt afgezien van de lichamelijke symptomen van deze emotie.

 

 

      II  Emoties tussen natuur en cultuur

 

23. De kandidaten kunnen de opvattingen van Descartes en Spinoza over basisemoties weergeven en uitleggen.

 

24. De kandidaten kunnen beargumenteren in hoeverre de benaderingen van emoties door Descartes en Spinoza terug te voeren zijn op cognitivistische dan wel fysiologische uitgangspunten.

 

25. De kandidaten kunnen aangeven in hoeverre het onderzoek van Ekman filosofisch relevant is ten aanzien van het vraagstuk van de universaliteit van emoties. Zij kunnen daarbij kritische kanttekeningen maken bij de onderzoeksmethode van Ekman en tevens een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van de conclusies die Ekman uit dit onderzoek trekt.

 

26. De kandidaten kunnen aangeven wat het nature–nurture-debat op het gebied van emoties inhoudt, en verbanden leggen met antropologische en ethische vraagstukken.

 

27. De kandidaten kunnen in het kader van het nature –nurture-debat de constructivistische en reductionistische opvattingen over het ontstaan van emoties in een casus herkennen en daarover een beargumenteerd standpunt innemen.

 

28. De kandidaten kunnen in het kader van het nature –nurture-debat de verschillen en overeenkomsten uitleggen tussen de constructivistische en reductionistische opvattingen over het ontstaan van emoties.

 

29. De kandidaten kunnen aan de hand van emoties als ‘amae’ en ‘fago’ uitleggen in hoeverre emoties cultuurgebonden zijn.

 

30. De kandidaten kunnen de hypothese van Sapir en Whorf over de relatie tussen taal en emoties uitleggen. Ook kunnen zij kritiek leveren op deze hypothese.

 

31. De kandidaten kunnen de betekenis van neurologisch onderzoek voor het nature – nurture-debat aangeven en omschrijven in hoeverre dit onderzoek argumenten aandraagt voor de universaliteit van emoties.

 

32. De kandidaten kunnen uitleggen waarom aanhangers van fysiologische en cognitivistische emotietheorieën neigen tot reductionisme respectievelijk constructivisme.

 

 

Primaire teksten

 

Descartes
     
33. De kandidaten kunnen de definities van de zes primitieve passies

die Descartes onderscheidt weergeven en uitleggen hoe uit deze

zes passies alle andere passies kunnen worden afgeleid.

 

34. De kandidaten kunnen uitleggen wat Descartes verstaat onder verwondering als passie. Zij kunnen daarbij beredeneren hoe men moet omgaan met een tekort of overmaat aan verwondering. Ook kunnen zij uitleggen wat het verschil is tussen verwondering en aandacht.

 

          Spinoza
     35. De kandidaten kunnen uitleggen wat volgens Spinoza de oorsprong

          en de natuur is van de hartstochten.

 

     36. De kandidaten kunnen de definitie van hartstochten van Spinoza

          weergeven en uitleggen. Zij kunnen daarbij aangeven welke drie

          primaire hartstochten Spinoza onderscheidt en beargumenteren hoe

          andere emoties, zoals verwondering, liefde en haat, tot deze

          primaire emoties zijn te herleiden.

 

     37. De kandidaten kunnen de argumentatie van Spinoza reconstrueren

          hoe het mogelijk is om onder leiding van de rede bepaalde

          hartstochten, zoals haat en woede te corrigeren of te voorkomen.

 

 

     III  Retorica en emoties

 

     38. De kandidaten kunnen uitleggen op welke wijze en onder welke

          voorwaarden emoties bewust kunnen worden gebruikt bij het

          overtuigen van een publiek. Zij kunnen aan de hand van

          voorbeelden beschrijven wat de retorische werking van emoties

          is in opening, middengedeelte en slot van een toespraak.

 

     39. De kandidaten kunnen toespraken analyseren en beoordelen op

          overtuigingskracht gebruikmakend van elementaire zaken uit de

          klassieke retorica, zoals:

-      de genres van redevoeringen: juridische (genus judiciale);

     politieke (genus deliberativum); gelegenheidstoespraken

     (genus demonstrativum)

-      de doelen van een redevoering: informeren, behagen en

     ontroeren (docere, placere en movere)

-      de middelen waarmee een redenaar het publiek kan

     overtuigen: redeneren, karakter en emoties (of met

     Aristoteles logos, ethos en pathos)

-      de fasen die een redenaar doorloopt: vinding (inventio);

     ordening (dispositio) verwoording (elocutio); onthouden

     (memoria); uitspreken (actio).

 

     40. De kandidaten kunnen uitleggen welke kritiek Plato heeft op de

          retorica en hoe deze kritiek verbonden is met zijn wijsgerige

          antropologie en zijn opvatting over de staat.

 

     41. De kandidaten kunnen een opzet voor een redevoering maken

          volgens de maatstaven van klassieke retorici als Aristoteles,

          Quintilianus en Cicero.

 

 Primaire tekst

 

          Quintilianus

     42. De kandidaten kunnen de opvatting van Quintilianus weergeven

          dat emoties in alle delen en vooral in het slotwoord van een

          redevoering van belang zijn. Zij kunnen dit belang omschrijven en

          aangeven hoe dit belang in verschillende situaties het best wordt

          gediend. 

 

     43. De kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen wat

          Quintilianus verstaat onder de twee soorten emoties pathos en

          ethos.

 

     44. De kandidaten kunnen uitleggen welke factoren volgens Quintilianus

          het succes van de spreker bepalen bij het oproepen van specifieke 

          emoties bij het publiek.

 

 

     IV  Horror: angst en vrees

 

     45. De kandidaten kunnen uitleggen welke elementen van een

          horrorfilm emoties kunnen oproepen.

 

     46. De kandidaten kunnen het onderscheid dat in de

          existentialistische filosofie wordt gemaakt tussen angst en

          vrees herkennen en uitleggen.

 

     47. De kandidaten kunnen met behulp van a) de

          cognitivistische benadering, b) de existentialistische

          benadering, c) de fysiologische benadering uitleggen of en op

          welke manier de angst van de toeschouwer bij een horrorfilm

          te begrijpen is. Daarbij kunnen de kandidaten overeenkomsten

          en verschillen tussen deze benaderingen herkennen, uitleggen

          en waarderen of beoordelen.

 

     48. De kandidaten kunnen de horror-paradox herkennen en uitleggen.

          Zij kunnen aangeven hoe je de paradox kunt oplossen volgens

          Carroll en volgens Gaut.

 

     49. De kandidaten kunnen de paradox van de fictionele emoties

          uitleggen en toepassen. Zij kunnen aangeven hoe je de paradox

          kunt oplossen volgens Walton en volgens Lamarque. Bovendien

          kunnen zij kritiek leveren op de verschillende oplossingen.

 

     50. De kandidaten kunnen uitleggen welke rol de verbeelding speelt bij

          het opwekken en ervaren van emoties.

 

 Primaire tekst

 

 Sartre

     51. De kandidaten kunnen uitleggen in welk opzicht angst

          fundamenteler is dan vrees. Bovendien kunnen zij het onderscheid

          tussen angst en vrees in verband brengen met de emoties zoals die

          door horrorfilms kunnen worden opgeroepen.

 

 

       V  Medelijden, trots en woede

 

           Medelijden

      52. De kandidaten kunnen uitleggen in welk opzicht medelijden een

           emotie is.

 

      53. De kandidaten kunnen aangeven uit welke vier elementen

           medelijden volgens Aristoteles bestaat en uitleggen dat medelijden

           een deugd is.

 

      54. De kandidaten kunnen de opvattingen over medelijden van

           Aristoteles, Nietzsche, Schopenhauer, Rousseau herkennen,

           uitleggen en vergelijken.

 

      55. De kandidaten kunnen het onderscheid dat Nietzsche maakt

           tussen herenmoraal en slavenmoraal herkennen en uitleggen en

           het in verband brengen met diens analyse van medelijden.

 

  Primaire tekst

 

  Nietzsche

      56. De kandidaten kunnen uitleggen in hoeverre bij handelingen uit

           medelijden volgens Nietzsche het eigen lijden wordt afgewenteld.

 

      57. De kandidaten kunnen uitleggen wat volgens Nietzsche iemand

           zonder medelijden onderscheidt van  ‘de medelijdende’ en kunnen

           uitleggen in hoeverre men zich voor het medelijden dient te

           behoeden.

 

      58. De kandidaten kunnen uitleggen wat volgens Nietzsche het

           verband is tussen enerzijds medelijden en anderzijds verachting,

           geluk en vertedering.

 

  Trots

      59. De kandidaten kunnen uitleggen in welk opzicht trots een emotie

           is.

 

      60. De kandidaten kunnen uitleggen in hoeverre het gepast kan zijn

           trots te zijn op onderscheidende persoonlijke eigenschappen,

           prestaties of bezittingen. Daarbij kunnen de kandidaten de

           opvatting van Hume over trots en de opvatting van Aristoteles

           over fierheid weergeven.

 

      61. De kandidaten kunnen uitleggen hoe trots in christelijke en

           islamitische tradities wordt gewaardeerd.

 

  Primaire teksten

 

  Aristoteles

 62. De kandidaten kunnen uitleggen welk verband Aristoteles legt

      tussen enerzijds fierheid en anderzijds verdiensten, ambities en

      aanzien.

 

 63. De kandidaten kunnen de typeringen van de houding van fierheid

      bij Aristoteles herkennen en uitleggen.

 

      64. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Aristoteles fierheid

           het deugdethische midden is tussen nederigheid en verwaandheid

           en een bekroning is van een voortreffelijk of volwaardig menselijk

           leven.

 

  Hume

      65. De kandidaten kunnen het object en de oorzaken van trots en

           nederigheid bij Hume uitleggen en onderscheiden. Ook kunnen zij

           uitleggen dat object en oorzaak volgens Hume betrokken zijn op

           het 'ik'.

 

           Woede

      66. De kandidaten kunnen uitleggen in welk opzicht woede een emotie

           is.

 

      67. De kandidaten kunnen de opvatting van Aristoteles over woede

           herkennen en uitleggen.

 

      68. De kandidaten kunnen de opvatting van de Stoďcijnen  - in het

           bijzonder van Seneca - over woede herkennen en uitleggen.

 

      69. De kandidaten kunnen aangeven wat het verschil is tussen

           medelijden, trots en woede als emotie en medelijden, trots en

           woede als houding, deugd of gezindheid.

 

  Primaire tekst

 

  Seneca

      70. De kandidaten kunnen herkennen en uitleggen wat volgens Seneca

           de essentie is van woede, op welke wijze woede bij mens en dier

           tot uitdrukking komt en welke rampzalige gevolgen deze emotie

           volgens hem heeft.

 

      71. De kandidaten kunnen uitleggen of woede volgens Seneca tot de

           menselijke natuur behoort, of woede nuttig is, of woede sterker is

           dan de menselijke rede en hoe met woede moet worden

           omgegaan.

 



© 2003-2004 Begeleidingscommissie Filosofie in het Voortgezet Onderwijs