Bespreking CSE 2010 / Rede en religie
VWO-examenonderwerp 2008-2011
Utrecht 31 mei 2010, 18.00 - 19.45 uur / Zalencentrum Vredenburg
19
Aanwezig: 60 docenten filosofie en Hans Wessels (CITO)
NotaBene: dit verslag
valt uitdrukkelijk onder de verantwoordelijkheid van de VFVO (en dus niet van de
Bcfvo)
Geplaatst op 1 juni 2010, 16.10 uur
MededelingenVFVO-bestuurslid Jos Hogenbirk opent de vergadering en hij heeft enkele mededelingen:
- De eindtermen voor het nieuwe vwo-examenonderwerp Vrije wil verschijnen in september op de website: http://www.examenblad.nl (bij het examenjaar 2012). Daarnaast ook op http://www.vfvo.nl/ en http://www.bcfvo.nl/. In januari 2011 komt de examenbundel inzake de Vrije wil op de markt.
- Het examenonderwerp voor havo wordt, na Emotie, in de examenjaren 2014 tot en met 2017 Mondiale rechtvaardigheid.
- Simone Kamman laat een presentielijst rondgaan en roept de aanwezigen op om de VFVO-contributie voor 2010 (35 euro) te voldoen.
- De nieuwe VFVO-site (http://www.vfvo.nl/) is nu online. Het verzoek is dat iedereen content levert. Dit kan bij Jos Hogenbirk (jmjhogenbirk@hotmail.com).
- Er komt een besloten gedeelte voor VFVO-leden waar een toetsenbank en oude nummers van Spinoza zijn te vinden. Ook komt er een forum, waar bijvoorbeeld over examenvragen van gedachten valt te wisselen.
Algemene opmerkingen over het examen
Docenten merken het volgende op:
- Bij het College voor Examens zijn geen officiële klachten binnengekomen over het examen. Wel zijn er meer dan ooit klachten binnengekomen over zowel het vwo- als het havo-examen, maar dit wijst wellicht eerder op de hoop van examenkandidaten op bijstelling van de normering. Klachten over de vraag over Popper en Feyerabend in het vwo-examen zijn ongegrond verklaard. Sommige docenten waarderen de vraag, anderen vinden hem juist flauw.
- Een docent merkt op dat haar examenkandidaten de volle drie uur hebben gebruikt en dat zij vooral de tweede opgave als moeilijk hebben ervaren. Ook een andere docent heeft zo’n ervaring en het examen is ook slecht gemaakt, maar daar ging het vooral om de eerste opgave.
- De vraag aan het eind waarmee vijf punten moesten worden behaald, kwam de scores niet ten goede.
- In de formulering van de vragen en het correctievoorschrift zijn teveel slordigheden geslopen.
- De casuïstiek in de examenopgaven was leuk en spannend, maar uit de voorbeelden van goede antwoorden in het correctievoorschrift valt wel een eenzijdige boodschap af te lezen.
- De vragen behelsden teveel geschiedenis van de filosofie in plaats van filosofie. Teveel lastige vragen vielen goed te beantwoorden door simpelweg zaken uit het hoofd te leren. Daartegenover staat dat een docente de formulering van vraag 8 over het bestaan van fysieke objecten extreem moeilijk vond.
Opmerkingen per vraag
Opgave 1. Oriëntalisme en Occidentalisme
Vraag 1: In het voorbeeldantwoord is de formulering dat “instrumentele rede leidt tot …” slechts een voorbeeld van een goed antwoord. Het verband dat moet worden uitgelegd hoeft niet per se een causaal verband te zijn. Het mag ook bijvoorbeeld een logisch verband zijn dat wordt benoemd. In plaats van saamhorigheid mogen ook andere waarden als voorbeeld worden benoemd die dreigen te verdwijnen onder invloed van modernisering.
Vraag 2: Opgemerkt wordt dat er veel tekst over de Oriënt aan de vraag vooraf gaat die niet relevant is voor de vraag. In een goed antwoord hoeven de termen erklären en verstehen niet per se letterlijk te worden genoemd; het verschil kan ook worden omschreven. Gadamer legt sciëntisme uit als de gedachte dat ook ethische uitspraken (normen en waarden) uit de wetenschap kunnen worden afgeleid. Het boek Rede en religie bepaalt een zekere bandbreedte, maar als een antwoord op vakinhoudelijke gronden moet worden goed gerekend dan is het zeker zinvol om de discussie aan te gaan met de tweede corrector. Dit is ook van belang als een kandidaat sciëntisme niet, zoals gevraagd, met hermeneutiek, maar met fenomenologie confronteert.
Vraag 3: Een docente vindt de eerste zin van tekst 3 onbegrijpelijk, maar dit is wel een letterlijke tekst van de auteur. Een docent merkt op dat in het boek juist de speculatieve functie wordt vermeld als tweede functie van religie, maar welbeschouwd wisselt deze volgorde in het boek.
Vraag 4:
In de vraagstelling is dubbelzinnig of er wordt gevraagd naar het
oordeel van Al Farabi of dat van “de occidentalist”. Dan maakt de leerling het
zichzelf misschien echter moeilijker om de vraag goed te beantwoorden, dan
nodig. Bij het object van kennis dat volgens het occidentalisme in het Westen
ontbreekt zouden ook de hemelse substanties en hun attributen of de deugdzame en
niet-deugdzame naties kunnen worden vermeld. Een antwoord dat Allah als de
eerste oorzaak aanduidt kan ook goed zijn.
Vraag 5: Bij deze vraag zijn geen opmerkingen.
Opgave 2. Humanisme, geloven en weten
Vraag 6: Als een kandidaat bij de problemen van het definiëren van religie etnocentrisme en essentialisme vermeldt, dan valt dat ook goed te rekenen, maar dan maakt hij het zichzelf wel moeilijker om zijn antwoord te koppelen aan tekst 5. Overigens worden er nog meer problemen in het boek vermeld.Vraag 7: De syllabus voor het filosofie-examen vermeldt Popper en Feyerabend. De examenvragen die buiten het eigenlijke examenonderwerp treden, hebben te maken met de wens van het ministerie dat er ook algemene leerstof wordt getoetst in het examen. Popper erkent alleen wetenschap als basis voor kennis, terwijl Feyerabend ook andere vormen van kennisverwerving erkent, zodat wellicht ook zou kunnen worden verdedigd dat Zunderdorp zich beter zou kunnen baseren op Feyerabend.
Vraag 8: Veel examenkandidaten geven antwoorden in de trant dat men fysieke objecten gewoon kan zien. Zulke antwoorden die zich bijvoorbeeld beperken tot bakstenen, zijn onvoldoende.
Vraag 9: Bij de beoordeling speelt een probleem van de puntenverdeling. Als het eerste antwoordelement half wordt uitgelegd, dan is het redelijk om daarvoor de helft van de punten te geven. In een goed antwoord hoeft niet per se de term “betekenisholisme” te vallen, maar deze kan ook worden geparafraseerd zodat duidelijk wordt hoe ruimte ontstaat voor metafysische uitspraken.
Vraag 10: Het correctiemodel versimpelt het oordeel van Kant. Deze legt juist uit hoe metafysische uitspraken mogelijk zijn. De bewering dat metafysische uitspraken het “empirische verstand” (whatever that may be) te boven gaan, is juist te beperkt.
Vraag 11: In de vraagstelling betekent “met behulp van vraag 5” dat de kandidaat letterlijk en/of inhoudelijk naar de tekst moet verwijzen. Een goed antwoord kan ook beargumenteren dat humanisme juist geen religie is. Een docent vindt het woord “nu” verwarrend in de vraagstelling; bedoeld is zoiets als: alles welbeschouwd.
Opgave 3. Ramadan in de post-seculiere samenleving
Vraag 12: Aan de vraagstelling rammelt dat groepen geen karikaturen zijn; er had beter kunnen worden geschreven over omschrijvingen. Geconstateerd wordt dat relatief veel punten worden toegekend voor relatief eenvoudige kwesties als het uitleggen van secularisme en secularisering. Een omschrijving van secularisering als een ontwikkeling van een toenemende scheiding tussen kerk en staat voldoet, mits deze helder is omschreven. Bij de twee vormen van secularisme kan een kandidaat ook verwijzen naar de twee vormen die Taylor benoemt: common ground en independant political ethic. Voor de Franse laïciteit en het Nederlands multiculturalisme kan een kandidaat ook omschrijvingen hanteren als het Franse model en het Nederlandse model, mits deze maar helder worden uitgelegd.
Vraag 13: Deze vraag heeft betrekking op eindterm 54, maar in het boek zijn op blz. 87, 123, 110 en 112 passages te vinden die hierover iets zeggen. De vraag verlangt een verklaring en daarmee een preciezer antwoord dan de kwestie die in het boek wel wordt benoemd. De vraagstelling maakt ook niet zo duidelijk dat in een goed antwoord de termen disciplinering, normalisering en pastorale macht moeten vallen.
Vraag 14: Bij de eisen van Habermas valt op vakinhoudelijke gronden ook zijn overkoepelende eis van het erkennen van de eigen feilbaarheid goed te rekenen.
Vraag 15: Als in de overwegingen er geleidelijk wordt overgegaan van het opleggen van overtuigingen naar het opdringen van waarden, dan maakt dat het antwoord niet per se fout. Bij de antwoordelementen was het beter geweest als ook hier de scorepunten waren uitgesplitst.
Vraag 16: Bij deze vraag is het lastig om de scorepunten toe te kennen. Bij de eerste bullet van de antwoordelementen is onderdeel b) niet echt noodzakelijk, bij de tweede bullet worden twee zaken verlangd (common ground en independant political ethic) voor één punt en het laatste antwoordelement is eigenlijk niet in de vraagstelling naar voren gekomen. De VFVO zal het College voor Examens voorstellen om voor het eerste antwoordelement één punt toe te kennen en voor de beide zaken bij het tweede antwoordelement elk één punt en het laatste element te laten vervallen, met dien verstande dat maximaal vijf punten kunnen worden behaald.
Vraag 17: Bij de opvatting van Qutb van soevereiniteit hoeft niet per se God te worden genoemd. In de kern gaat het om de gewetensvrijheid.
Notulist: Walfred Haans
terug