BegeleidingsCommissie
Filosofie in het
Voortgezet Onderwijs

Bespreking CSE 2010 / Rede en religie

VWO-examenonderwerp 2008-2011

Utrecht 31 mei 2010, 18.00 - 19.45 uur / Zalencentrum Vredenburg 19

Aanwezig: 60 docenten filosofie en Hans Wessels (CITO)

NotaBene: dit verslag valt uitdrukkelijk onder de verantwoordelijkheid van de VFVO (en dus niet van de Bcfvo)

Geplaatst op 1 juni 2010, 16.10 uur

MededelingenVFVO-bestuurslid Jos Hogenbirk opent de vergadering en hij heeft enkele mededelingen:


Algemene opmerkingen over het examen

Docenten merken het volgende op:


Opmerkingen per vraag

Opgave 1. Oriëntalisme en Occidentalisme

Vraag 1: In het voorbeeldantwoord is de formulering dat “instrumentele rede leidt tot …” slechts een voorbeeld van een goed antwoord. Het verband dat moet worden uitgelegd hoeft niet per se een causaal verband te zijn. Het mag ook bijvoorbeeld een logisch verband zijn dat wordt benoemd. In plaats van saamhorigheid mogen ook andere waarden als voorbeeld worden benoemd die dreigen te verdwijnen onder invloed van modernisering.

Vraag 2: Opgemerkt wordt dat er veel tekst over de Oriënt aan de vraag vooraf gaat die niet relevant is voor de vraag. In een goed antwoord hoeven de termen erklären en verstehen niet per se letterlijk te worden genoemd; het verschil kan ook worden omschreven. Gadamer legt sciëntisme uit als de gedachte dat ook ethische uitspraken (normen en waarden) uit de wetenschap kunnen worden afgeleid. Het boek Rede en religie bepaalt een zekere bandbreedte, maar als een antwoord op vakinhoudelijke gronden moet worden goed gerekend dan is het zeker zinvol om de discussie aan te gaan met de tweede corrector. Dit is ook van belang als een kandidaat sciëntisme niet, zoals gevraagd, met hermeneutiek, maar met fenomenologie confronteert.

Vraag 3: Een docente vindt de eerste zin van tekst 3 onbegrijpelijk, maar dit is wel een letterlijke tekst van de auteur. Een docent merkt op dat in het boek juist de speculatieve functie wordt vermeld als tweede functie van religie, maar welbeschouwd wisselt deze volgorde in het boek.


Vraag 4: In de vraagstelling is dubbelzinnig of er wordt gevraagd naar het oordeel van Al Farabi of dat van “de occidentalist”. Dan maakt de leerling het zichzelf misschien echter moeilijker om de vraag goed te beantwoorden, dan nodig. Bij het object van kennis dat volgens het occidentalisme in het Westen ontbreekt zouden ook de hemelse substanties en hun attributen of de deugdzame en niet-deugdzame naties kunnen worden vermeld. Een antwoord dat Allah als de eerste oorzaak aanduidt kan ook goed zijn.

Vraag 5: Bij deze vraag zijn geen opmerkingen.

Opgave 2. Humanisme, geloven en weten

Vraag 6: Als een kandidaat bij de problemen van het definiëren van religie etnocentrisme en essentialisme vermeldt, dan valt dat ook goed te rekenen, maar dan maakt hij het zichzelf wel moeilijker om zijn antwoord te koppelen aan tekst 5. Overigens worden er nog meer problemen in het boek vermeld.

Vraag 7: De syllabus voor het filosofie-examen vermeldt Popper en Feyerabend. De examenvragen die buiten het eigenlijke examenonderwerp treden, hebben te maken met de wens van het ministerie dat er ook algemene leerstof wordt getoetst in het examen. Popper erkent alleen wetenschap als basis voor kennis, terwijl Feyerabend ook andere vormen van kennisverwerving erkent, zodat wellicht ook zou kunnen worden verdedigd dat Zunderdorp zich beter zou kunnen baseren op Feyerabend.

Vraag 8: Veel examenkandidaten geven antwoorden in de trant dat men fysieke objecten gewoon kan zien. Zulke antwoorden die zich bijvoorbeeld beperken tot bakstenen, zijn onvoldoende.

Vraag 9: Bij de beoordeling speelt een probleem van de puntenverdeling. Als het eerste antwoordelement half wordt uitgelegd, dan is het redelijk om daarvoor de helft van de punten te geven. In een goed antwoord hoeft niet per se de term “betekenisholisme” te vallen, maar deze kan ook worden geparafraseerd zodat duidelijk wordt hoe ruimte ontstaat voor metafysische uitspraken.

Vraag 10: Het correctiemodel versimpelt het oordeel van Kant. Deze legt juist uit hoe metafysische uitspraken mogelijk zijn. De bewering dat metafysische uitspraken het “empirische verstand” (whatever that may be) te boven gaan, is juist te beperkt.

Vraag 11: In de vraagstelling betekent “met behulp van vraag 5” dat de kandidaat letterlijk en/of inhoudelijk naar de tekst moet verwijzen. Een goed antwoord kan ook beargumenteren dat humanisme juist geen religie is. Een docent vindt het woord “nu” verwarrend in de vraagstelling; bedoeld is zoiets als: alles welbeschouwd.

Opgave 3. Ramadan in de post-seculiere samenleving

Vraag 12: Aan de vraagstelling rammelt dat groepen geen karikaturen zijn; er had beter kunnen worden geschreven over omschrijvingen. Geconstateerd wordt dat relatief veel punten worden toegekend voor relatief eenvoudige kwesties als het uitleggen van secularisme en secularisering. Een omschrijving van secularisering als een ontwikkeling van een toenemende scheiding tussen kerk en staat voldoet, mits deze helder is omschreven. Bij de twee vormen van secularisme kan een kandidaat ook verwijzen naar de twee vormen die Taylor benoemt: common ground en independant political ethic. Voor de Franse laïciteit en het Nederlands multiculturalisme kan een kandidaat ook omschrijvingen hanteren als het Franse model en het Nederlandse model, mits deze maar helder worden uitgelegd.

Vraag 13: Deze vraag heeft betrekking op eindterm 54, maar in het boek zijn op blz. 87, 123, 110 en 112 passages te vinden die hierover iets zeggen. De vraag verlangt een verklaring en daarmee een preciezer antwoord dan de kwestie die in het boek wel wordt benoemd. De vraagstelling maakt ook niet zo duidelijk dat in een goed antwoord de termen disciplinering, normalisering en pastorale macht moeten vallen.

Vraag 14: Bij de eisen van Habermas valt op vakinhoudelijke gronden ook zijn overkoepelende eis van het erkennen van de eigen feilbaarheid goed te rekenen.

Vraag 15: Als in de overwegingen er geleidelijk wordt overgegaan van het opleggen van overtuigingen naar het opdringen van waarden, dan maakt dat het antwoord niet per se fout. Bij de antwoordelementen was het beter geweest als ook hier de scorepunten waren uitgesplitst.

Vraag 16: Bij deze vraag is het lastig om de scorepunten toe te kennen. Bij de eerste bullet van de antwoordelementen is onderdeel b) niet echt noodzakelijk, bij de tweede bullet worden twee zaken verlangd (common ground en independant political ethic) voor één punt en het laatste antwoordelement is eigenlijk niet in de vraagstelling naar voren gekomen. De VFVO zal het College voor Examens voorstellen om voor het eerste antwoordelement één punt toe te kennen en voor de beide zaken bij het tweede antwoordelement elk één punt en het laatste element te laten vervallen, met dien verstande dat maximaal vijf punten kunnen worden behaald.

Vraag 17: Bij de opvatting van Qutb van soevereiniteit hoeft niet per se God te worden genoemd. In de kern gaat het om de gewetensvrijheid.

Notulist: Walfred Haans

terug