BegeleidingsCommissie
Filosofie in het
Voortgezet Onderwijs

Eindtermen Deugdethiek

VWO- examenonderwerp 2004 t/m 2007

Aanbevolen literatuur: Deugdelijk Leven. Een inleiding in de deugdethiek, Prof. dr. P. van Tongeren, Nijmegen, 2003 (SUN / ISBN 9058751120). Het boek is verkrijgbaar bij de uitgever of bij de plaatselijke middenstand en bevat behalve de basistekst ook vertaalde tekstfragmenten en de eindtermen. Tevens is er een docentenhandleiding beschikbaar van de hand van drs. H.W. Schwab. Deze is elders op deze website te downloaden onder de knop Vwo filosofie: docentenhandleiding Deugdethiek.

I. Van Ethiek naar Deugdethiek

  1. De kandidaat kan de filosofische inbedding van de ethiek schetsen en haar samenhang met andere disciplines duidelijk maken (waaronder metafysica, antropologie, sociale filosofie, godsdienstfilosofie en epistemologie).
  2. De kandidaat kan tenminste drie verschillende vormen van ethiek onderscheiden, de desbetreffende benadering uitleggen en toepassen in een casus.
  3. De kandidaat kan de deugdethische benadering uitleggen, het onderscheid tussen poièsis, praxis en morele praxis duidelijk maken en toelichten aan de hand van een voorbeeld.

II. Waarom Deugdethiek

  1. De kandidaat kan het verschil tussen normen en waarden uiteenzetten, duidelijk maken wat voor verband tussen beide bestaat en in welke zin deugdethiek een verbindend midden vormt tussen beide. Hij kan dit verschil en verband in een casus herkennen en aan de hand van een voorbeeld toelichten.
  2. De kandidaat kan uitleggen wat onder pluralisme en relativisme wordt verstaan, hoe deze opvattingen verband houden met keuzevrijheid en op wat voor manier de deugdethiek bepaalde gevaren van pluralisme en keuzevrijheid kan afwenden.
  3. De kandidaat kan duidelijk maken wat voor plaats morele motivatie inneemt binnen de deugdethiek en in welke zin zij kan worden begrepen als een ethiek die in het verlengde ligt van ons natuurlijk verlangen. In een casus kan hij het verschil met de Kantiaanse en utilistische ethiek op dit punt herkennen en zelf aan de hand van een voorbeeld toelichten.

III. Grondlijnen van een Deugdethiek

  1. De kandidaat kan uitleggen wat een teleologisch begrip van het menselijk leven inhoudt en op wat voor manier de begrippen doel, wezen, geschiktheid, deugd en geluk met elkaar samenhangen.
    De kandidaat kan aangeven in welke zin Aristoteles met zijn deugdethiek een positie inneemt tussen Plato en Nietzsche.
  2. De kandidaat kan duidelijk maken in welke zin zelfverwerkelijking als levenskunst begrepen kan worden.
  3. De kandidaat kan kritiek leveren op het essentialisme, maar kan ook laten zien dat dit niet per se een argument tegen teleologisch denken impliceert.
  4. De kandidaat kan uitleggen in welke zin de deugdethiek optimistisch genoemd kan worden en hoe de deugdethiek zich verhoudt tot het probleem van het kwaad zoals dit via het Christendom in onze cultuur aan de orde is gesteld.
  5. De kandidaat kan het micro-, meso- en macroniveau van handelen onderscheiden, herkennen en aan de hand van voorbeelden duidelijk maken hoe de verhouding tussen individu en gemeenschap binnen de deugdethiek begrepen moet worden.
  6. De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen onze leefwereld en de leefwereld waarbinnen Aristoteles’ deugdethiek is opgenomen. Tevens kan hij aangeven welke consequenties dit heeft voor de toepasbaarheid van de deugdethiek voor ons.

IV. De Deugd

  1. De kandidaat kan de definitie die Aristoteles geeft van het begrip ‘deugd’ weergeven en uitleggen.
  2. De kandidaat kan uitleggen wat Aristoteles bedoelt wanneer hij zegt dat de juiste keuze altijd een keuze voor het midden is. Hij kan daarbij duidelijk maken dat het juiste midden niet voor iedereen en in elke situatie hetzelfde is.
  3. De kandidaat kan een relatie leggen tussen de Aristotelische opvatting van de deugd als houding enerzijds en de waarde van goede voorbeelden in een mensenleven anderzijds.
  4. De kandidaat kan uitleggen wat Aristoteles verstaat onder phronèsis en welke rol deze intellectuele deugd speelt bij het ontwikkelen en toepassen van ethische deugden (karakterdeugden).

V. De Deugden

  1. De kandidaat kan uitleggen welke twee methoden er zijn om te komen tot een formulering van eigentijdse deugden en kan daarbij een verklaring geven voor het feit dat de deugden moed, matigheid en rechtvaardigheid al meer dan 2000 jaar als centrale deugden worden gezien.
  2. De kandidaat kan de categorisering van deugden bij Aristoteles weergeven aan de hand van het onderscheid tussen intellectuele deugden en karakterdeugden.
  3. De kandidaat kan de categorisering van deugden bij Plato weergeven en daarbij uitleggen waarom de deugd ‘rechtvaardigheid’ de meest gecompliceerde is.
  4. De kandidaat kan uitleggen wat bij Plato het verband is tussen de vier hoofddeugden en het goede. Hij kan daarbij tevens uitleggen wat het verband is tussen de politieke structuur van de samenleving en de psychische structuur van de mens.
  5. De kandidaat kan het verschil tussen de door het Christendom geïnspireerde ethiek van Augustinus enerzijds en het intellectualisme van Plato en Aristoteles anderzijds weergeven en het verband aangeven tussen ‘deugdzaam’ en ‘van goede wil’ zijn.
  6. De kandidaat kan de categorisering van deugden bij Thomas van Aquino op basis van de vier kardinale deugden in grote lijnen weergeven en daarbij uitleggen waarom ook bij Thomas de rechtvaardigheid een speciale plaats inneemt.
  7. De kandidaat kan weergeven wat Thomas van Aquino onder ‘theologale deugden’ verstaat en daarbij het onderscheid maken tussen deze deugden enerzijds en karakterdeugden en intellectuele deugden anderzijds.
  8. De kandidaat kan uitleggen waarom volgens Descartes de kern van de deugd ligt in de ‘vastbeslotenheid om niets anders na te streven dan wat werkelijk nastrevenswaardig is en daadwerkelijk in mijn macht ligt’. Tevens kan hij daarbij een verband leggen met generositeit als centrale deugd.
  9. De kandidaat kan de kritiek van Kant op de ‘natuurlijke’ deugdethiek van Aristoteles weergeven en daarbij aangeven waarom volgens Kant de moraal begint bij het ‘tegennatuurlijke’ geweten.
  10. De kandidaat kan de argumentatie reconstrueren met behulp waarvan Kant aantoont dat het in de moraal niet gaat om geluk, maar om de plicht. Hij kan daarbij uitleggen welke rol de ‘redelijkheid’ speelt bij het handelen van mensen onderling.

VI. Enkele meer of minder gebruikelijke Deugden

  1. De kandidaat kan de milieufilosofische benaderingen met elkaar vergelijken die respectievelijk uitgaan van de natuur als intrinsieke waarde, van de duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving en van het nut van de natuur. Tevens kan hij op deze benaderingen kritiek leveren.
  2. De kandidaat kan aangeven waarin een deugdethische benadering verschilt van de bij 1. genoemde benaderingen. Hij kan daarbij de volgende begrippen hanteren: menselijke natuur, zelfverwerkelijking, deugd van de maat en matigheid en de deugd van de tastzin en genot.
  3. De kandidaat kan voorbeelden geven van niet-westerse benaderingen die overeenkomen met de deugdethische benadering.
  4. De kandidaat kan deugden als schaamte, eervolheid en onthouding – zoals Thomas van Aquino die formuleerde – betrekken op een milieufilosofische benadering.
  5. De kandidaat kan impliciete en expliciete kritiek op de milieubeweging evalueren.
  6. De kandidaat kan een eigen standpunt formuleren ten aanzien van de verhouding tussen mens en natuur. Tevens kan de kandidaat hierbij de argumenten van andere filosofische benaderingen betrekken.
  7. De kandidaat kan uitleggen in hoeverre Christendom, Islam en Jodendom ‘theologale deugden’ in hun natuurbenadering opnemen.
  8. De kandidaat kan uitgaande van deugden een analyse maken van de oorzaken van het vraagstuk van afvalproductie, grondstoffenuitputting en waterverspilling.
  9. De kandidaat kan aangeven hoe een deugdethische benadering van het autogebruik mogelijk is.
  10. De kandidaat kan een normatief standpunt innemen ten aanzien van de vraag in hoeverre reclame – uitgaande van de deugden maat, matigheid en tastzin – richting kan geven aan de zelfverwerkelijking van het individu.
  11. De kandidaat kan aangeven welke elementen aan de orde zijn bij morele vorming van jongeren. Tevens kan de kandidaat een standpunt innemen over de wenselijkheid hiervan.
  12. De kandidaat kan een begripsanalyse maken van het begrip tolerantie. Hij kan daarbij:
    1. verschillende betekenissen van het begrip aangeven
    2. uitleggen welke betekenis het begrip vervult in het huidige discours, aangeven hoe het begrip elementen van huichelarij kan bevatten en aangeven hoe het begrip uiteindelijk kan leiden tot cynisme
    3. historische verwante en relevante begrippen aangeven
    4. een vergelijking maken tussen premoderne en moderne opvattingen van het begrip e) een evaluatie geven van de analyse.
  13. De kandidaat kan met behulp van de begripsanalyse aangeven welk verband er kan bestaan tussen deugdethiek en een praktijk van tolerantie.
  14. De kandidaat kan demonstreren hoe ten aanzien van een vraagstuk uit de multiculturele samenleving tolerantie in de gangbare zin en tolerantie in de deugdethische zin tot een fundamenteel ander resultaat leiden.
  15. De kandidaat kan een begripsanalyse maken van het begrip vriendschap. Hij kan daarbij de analyse onderbouwen met argumenten en illustraties. Tevens kan hij deze analyse evalueren.
  16. De kandidaat kan de deugdethische benadering van vriendschap van Aristoteles weergeven en vergelijken met de eerder genoemde analyses.
  17. De kandidaat kan voorbeelden geven uit literatuur, film, schilderkunst of drama waarin vriendschap als optimale deugd wordt beschouwd en daar tevens een standpunt over innemen.
  18. De kandidaat kan een begripsanalyse maken van het begrip vergeving. Hij kan bij deze analyse de begrippen dader, slachtoffer, schuld, berouw en schaamte betrekken.
  19. De kandidaat kan de deugd ‘vergeving’ betrekken op de vraag naar de morele verantwoordelijkheid van staten ten aanzien van historische of actuele gebeurtenissen. Hij kan daarbij tevens een beargumenteerd standpunt innemen.
  20. De kandidaat kan een oordeel geven over de vraag in welke mate deugdethiek een bijdrage kan leveren aan de praktijk van opvoeding en onderwijs. Hij kan daarbij een beargumenteerd standpunt innemen over de (on) wenselijkheid van een morele vorming gericht op het aanleren van deugden.

terug